Normaal gesproken bestaat een team uit 10 spelers waarvan er niet meer dan 6 tegelijk in het water mogen zijn. De overigen zijn wisselspelers. Zij mogen te water als het spel is stilgelegd door een scheidsrechter en/of als de te verwisselen spelers het water goeddeels hebben verlaten. Bij het begin van het spel wordt de puck in het midden gelegd van het speelveld. Na een fluitsignaal van de hoofdscheidsrechter duikt de “midvoor” van de ploeg die mag beginnen, snel omlaag om binnen 5 seconden de puck te spelen (beginpuck). Na ieder gescoord doelpunt wordt het spel op deze wijze hervat.
Het is toegestaan de puck, met de kop van de stick, over de bodem te slaan, te tikken, te stoten en voort te schuiven. Als dit slaan en stoten gevaar oplevert voor de tegenspelers zal de scheidsrechter natuurlijk het spel stoppen en hervatten met een vrije puck. De puck mag niet met de handen worden aangeraakt en ook niet op de stick gelegd worden. De vrije puck wordt genomen op de plaats van overtreding tenzij de overtreding door de verdedigende partij binnen drie meter van het eigen doel is. Dan wordt de puck op de strafpuckstip gelegd en daar vandaan genomen.





